Wat moet een sportbond eigenlijk doen?

jun 29th, 2013 | By | Category: Column Paul Turken

Bij een prachtig jubileum als dat van SBN (75 jaar) moet je natuurlijk de vraag stellen: wat heb je nou aan zo’n bond? Sinds Ruud Gullit voor het eerst het woord bobo in zijn mond nam, na het EK in 1988, zijn er altijd twijfels gebleven over de rol van een sportbond. Bobo heeft twee betekenissen. Volgens Gullit is het officieel de afkorting ‘bondbons’ (sportbondsbaas), maar in het Surinaams betekent het ook sufferd. In ieder geval had Gullit niet zo’n hoge pet op van de bondsbazen die meer profiteerden van de sporters, dan dat ze er respect voor hadden. Tevredenheid over dienstverlening is het verschil tussen wat je hebt gekregen van iemand (van een sportbond) en wat je ervan verwacht had. Kortom een bond kan het nooit goed doen als de verwachtingen niet realistisch zijn. Maar hoe komen die verwachtingen nu tot stand?

Verwachtingsbronnen
Wat Nederlanders van een sportbond verwachten heeft veel te maken met de stand van zaken in de samenleving. Er zijn tijden geweest dat de gewone mens in het algemeen nauwelijks verwachtingen had. Vanaf 1850 leefden we in een nachtwakersstaat. De overheid en de instituties deden alleen het hoogst noodzakelijke. Ze zorgden voor de veiligheid (leger, politie en wetten). De rest was de verantwoordelijkheid van de burgers. En wie niet goed voor zichzelf kon zorgen had pech gehad. Toen waren er nog geen sportbonden, maar als ze er waren geweest dan hadden ze alleen de spelregels, de scheidsrechters en de tuchtcommissie gehad. Zelfs de organisatie van de competitie was dan aan anderen overgelaten.

Dan komt er een meneer Marx en die vindt dat er wel wat meer zorg en dienstverlening mag komen. Ter voorkoming van een echte revolutie gaan we in alle Europese landen dan werken aan een verzorgingsstaat. Dat wil zeggen dat er wat meer aandacht komt voor zorg en wat meer aandacht voor de kwetsbaren in de samenleving. Vanaf het Kinderwetje van Van Houten, tegen kinderslavernij in 1874, en de leerplichtwet in 1900, gaan we aandacht geven aan kinderen en anderen die het niet voor zichzelf kunnen regelen. Een sportbond zou dan trainingsprogramma’s gaan verzorgen, jeugdbegeleiding, trainersopleiding, scheidsrechteropleiding en bijvoorbeeld competities gaan reguleren om het allemaal wat rechtvaardiger en eerlijker te verdelen en te laten verlopen. De verenigingen die aangesloten zijn bij de bond zorgen voor de sociale infrastructuur waarop de bonden kunnen bouwen.

Zo’n tien jaar na de oorlog komen we dan in de welvaartstaat. Er is steeds meer geld. Ook voor sport. Dat wil zeggen dat er allerlei nieuwe zaken komen: commerciële sport, geld voor internationale kampioenschappen, nationale teams, topsport, sportmarketing, sport voor minderbedeelden, achterstandsbeleid. De overheid en de instituties nemen het initiatief. Wij vinden het geweldig en gaan leunen tegen alles wat er voor ons georganiseerd wordt. De scholen, de verenigingen, de bonden, de sporters bloeien op en de sky is de limit. We professionaliseren en de sociale infrastructuur van de verenigingen, de wijken en de kerken kan gevoeglijk worden afgebroken. Die vorm van amateurisme is niet meer nodig. De samenleving en de sport wordt steeds individueler, en sporten als golf, tennis, squash en fitness profiteren daar enorm van.

En dan stopt de groei van de bomen richting de hemel. De Internetbubbel in 2001 en de bankenfraude in 2008 killen de economische groei in Europa. De overheid blijkt een paar jaar op de pof en op de groeiverwachting geleefd te hebben en moet afbouwen. Met de overheid moet ook het leger aan instituties, dat het geld uitgaf in de welvaartsstaat, stappen terugdoen. Daar vallen de gesubsidieerde sportbonden ook onder. Bijna 90% van de inkomsten van SBN kwamen van de overheid en het NOC*NSF. De rest kwam van de leden, de commerciële squashcentra en van de activiteiten. Dus als die overheid zich terugtrekt ontstaat de paniek. De overheid, van PvdA tot en met Wilders, spreekt van de eigen verantwoordelijkheid van de burger (sporter). We zijn niet helemaal terug in 1850, want de kinderslavernij is nog net verboden. Maar “jij voor jezelf, God voor ons allen en de politici voor hun pluche” is wel teruggekomen vanuit die tijd.

Tevredenheid en hoop
We leven nu in spannende tijden. Iedereen die nu squash speelt, heeft zijn verwachtingen opgebouwd onder het oude regiem en krijgt nu een soort 21e-eeuwse nachtwakerstaat geleverd. En dus doet een bond nooit meer iets goed. Immers met de huidige nachtwakerstaat-financiering kan SBN nooit voldoen aan de welvaartsstaateisen van de vorige eeuw. Ontevredenheid troef. Ik heb als bestuurder rond de eeuwwisseling die omslag mee mogen maken. Zeer leerzaam, maar ik ben blij dat ik nu niet op de stoel van Hans Arends zit.

Is er hoop? Historisch gezien wel. Aan het einde van de 19e eeuw waren het de coöperaties die de aanval pleegden op die harde, koude, nare nachtwakersstaat. Gaan we weer coöperaties en klassieke verenigingen in het leven roepen? Nee we moeten niet terug naar vroeger. Maar de communities van deze tijd, ook de virtuele, lijken heel erg op de coöperaties van toen. Als we daar een beetje solidariteit en sociale infrastructuur in kunnen brengen, dan kan het. Maar neutelen over de luxe van de vorige eeuw en op basis daarvan alsmaar klagen over trainingsfaciliteiten en -vergoeding heeft geen zin.

Als we die communities om kunnen bouwen van nutsgerichte netwerken naar echte sociale verbanden met solidariteit, dan kan het gewoon weer. Dat begint, zoals Roel Tolner schreef, met gewoon carpoolen en samen naar een nationaal kampioenschap in Drachten gaan. Dat gaat door met het financieren van topsport door een hele hoop vroegere en huidige squashgekken met kleine bedragen. En waar het eindigt, geen idee. Alles kan in die nieuwe communities, alleen zeuren niet!


Comments are closed.